READING

Vijf kilometer op dinsdagavond

Vijf kilometer op dinsdagavond

Het is dinsdagavond. De hele dag heeft het gesneeuwd, afgewisseld met wat hagel, regen en een voorzichtig zonnetje. Ik ben niet echt buiten geweest: er was geen reden voor, er was genoeg werk te doen en het zag er veel te guur uit, daar buiten. Mijn huis kan dan nog comfortabeler voelen dat het al doet, op zo’n dag met slecht weer. Ik zet de verwarming een beetje aan, nestel mezelf met een dekentje op de bank en zie de wind buiten aan de bomen trekken.

Al maanden is het een ritueel: op dinsdagavond eet ik op tijd, want om zeven uur moet er worden hardgelopen. Slechts twee keer heb ik het gemist. Omdat er sneeuw lag en het niet zo goed ging in mijn hoofd. Alle andere keren was ik er, vaak met frisse tegenzin. Het voelt als iets dat vaststaat, dat ik heb afgesproken met mezelf en waar ik me dus ook aan moet houden. Inmiddels heb ik geleerd dat ik vooral ontzettend loyaal ben en afspraken nooit afzeg. Dat zorgt ervoor dat het voor mij heel goed werkt om afspraken te maken over dingen die ik belangrijk vind: afspraken met anderen, maar ook met mezelf. Als het de afspraak is dat ik die avond ga hardlopen, dan ga ik dat ook gewoon doen. Geen gezeur. Maar echt zin om te gaan? Dat heb ik bijna nooit. Ook nooit gehad, in al die jaren dat ik al ren.

Ik trek mijn nieuwe sportkleding aan. Alles zo strak. Het accentueert precies de vorm van mijn lichaam en ik weet niet of ik daar per se gelukkiger van word. Toch ben ik daar anders over gaan denken. Waar ik me eerst altijd schaamde, het liefst in het donker wilde rennen zodat niemand me zou zien en in zo wijd mogelijke kleding vertrok, heb ik nu besloten me daar niet meer druk over te maken. Het is zonde van mijn energie en vooral: het levert me helemaal niets op, die gedachten. En dus trek ik het nauwsluitende vestje aan, hijs de sportlegging over mijn benen en als ik beneden ben, zorg ik ervoor dat ik de veters van mijn schoenen extra goed strik. Ik geef Fendi een aai over zijn wang en trek de deur achter me dicht. Tijd om te gaan.

Een paar minuten fietsen later, ben ik de eerste die staat te wachten. Ik ben altijd de eerste, wat ik ook doe. Al doe ik mijn best om te laat te komen: het lukt me niet. Zit kennelijk niet in mijn aard. Ik kijk op mijn horloge, maak nog een foto van mijn voeten in het gras en loop naar het vertrekpunt toe. We lopen tegenwoordig met zijn tweeën en dat bevalt me – als ik eerlijk ben – prima. Het betekent dat je met minder mensen rekening hoeft te houden, maar ook dat er minder afleiding is. Je bent meer op jezelf aangewezen, kan minder meegaan in de energie van de groep. Het zorgt ook voor meer verbinding, ervaringen die je alleen met z’n tweeën deelt, hoe je elkaar er soms doorheen kunt slepen op moeilijke momenten. De zoveelste heuvel, bijvoorbeeld.

Het is even droog, gelukkig. We zijn iets eerder dan de bedoeling is, maar mogen al vertrekken en al wandelend praten we even over hoe het gaat. Vaak voel ik dan al aan mijn spieren hoe het er die dag voor staat. Vandaag voelen ze zwaar, zwaar maar sterk. De route die voor ons ligt is een nieuwe, dus ik weet niet wat ik moet verwachten. Ik heb geen idee hoeveel heuvels er dit keer beklommen moeten worden, waar de moeilijke punten zitten en op welk moment ik ga denken dat ik het niet kan. Maar ik weet zeker dat het me altijd gaat lukken om te blijven rennen, wat ik ook doe. We rennen het bos in vanavond. Het is rustig, maar weinig mensen die de moeite hebben genomen om met dit weer nog even een rondje te lopen. We slaan rechtsaf op een pad waar we altijd linksaf gaan en ik weet niet meer waar we zijn, maar mijn telefoon vertelt welke kant we op moeten. Mijn ademhaling zit hoog, we blijven maar omhoog gaan en ik merk dat het me moeite kost om mijn tempo vast te houden vanavond.

Nu begint de strijd tussen mijn hoofd en mijn lichaam. Hij komt altijd, hoe fijn het ook gaat, hoe goed mijn gezelschap ook is, hoe licht mijn benen ook voelen. Er komt altijd een punt waarop mijn hoofd denkt dat ik het niet kan. Ergens, daar bovenop die heuvel, zeg ik tegen mezelf dat ik hier niet voor gemaakt ben, dat ik het niet vol ga houden en dat ik beter gewoon kan stoppen en terug kan wandelen naar waar we begonnen zijn. Maar mijn lichaam gaat door. De ene stap voor de ander, langzaam blijven stijgen. Het wordt steeds moeilijker om adem te halen. Ik hoest een keer. Zie het topje van de heuvel, weet dat we er bijna zijn. Met iedere stap bewijs ik aan mezelf dat ik het wél kan. Dat het me altijd gelukt is en dat het me altijd zal lukken, zolang ik maar durf te vertrouwen op mijn kunnen.

De eerste drie kilometer omhoog zitten erop. Ik voel het zweet op mijn gezicht, ik voel dat mijn wangen rood zijn geworden. Ik heb het warm. Ik kijk om me heen en zie de schoonheid van het bos, van de hei en van de ondergaande zon. Nu, op deze laatste twee kilometer, begint het genieten. We gaan naar beneden en ik doe mijn best ervoor te zorgen dat dat niet te snel gaat. Ik heb mijn ademhaling weer onder controle, kan weer een beetje praten. Voel dat de zwaarte uit mijn benen verdwijnt, voel dat er weer lucht komt. Voel dat ik wéér iets overwonnen heb. Ik snuif de geur van het voorjaar op, voel hoe mijn voeten het mulle zand raken, voel hoe weer een beetje donkerte in mijn hoofd opklaart bij iedere stap die ik zet.

Als we terug zijn, besef ik dat ik geen enkele keer op mijn horloge heb gekeken. Het maakte me niet uit hoe snel ik zou gaan, hoe hoog mijn hartslag was, hoeveel stappen ik gezet heb en hoeveel kilometer we in totaal gerend hebben. Het doet er niet toe. Dat is bijna het tegenovergestelde van hoe het een paar maanden geleden ging: ik wilde steeds beter, sneller, verder. Daagde mezelf uit, putte mezelf uit, joeg mezelf soms over de kop en stelde onrealistische doelen. Ik heb ze allemaal losgelaten. Het hoeft niet altijd beter, ik hoef niet de beste versie van mijzelf te worden, dat wil ik niet eens. Ik wil blijven voelen hoe het is om met een glimlach op mijn gezicht af te dalen door de hei, ik wil voelen hoe mijn benen verzuren bij de zoveelste klim, ik wil voelen hoe fijn het is om even bemoedigende woorden te horen, ik wil voelen hoe ik mijn eigen gedachten kan overwinnen en ik wil voelen hoeveel sterker ik word bij elke kilometer die ik loop. Daar gaat het om.


  1. Johanna

    8 april

    Mooie post en zo goed geschreven. Welk deel van Nederland zijn die moie plaatjes eigenlijk, de Veluwe, de duinen of ergens in Limburg? Overigens ben ik ook altijd te vroeg bij een afspraak. Wat ik ook doe!

  2. Ah mooi weer hoor! Ik herken je gedachtengang in het lopen. Zo vaak dat ik denk “als ik voorbij dat punt ben, leg ik mijn tempo even lager” terwijl we gewoon inderdaad beter genieten van alles 🙂 Doe je goed! Leuk om te lezen weer 🙂

  3. Zo doe ik dat ook met hardlopen: gewoon doen, ook al heb ik geen zin. En eerlijk gezegd heb ik meestal geen zin, maar dat vind ik dan irrelevant. Ik weet namelijk dat ik me na het hardlopen altijd beter voel!

  4. Oooh wat woon jij in een prachtige omgeving! De heide is mijn lievelingslandschap, maar ik woon (overigens naar alle tevredenheid) in Rotterdam dus ik moet er altijd een eind voor rijden.
    Hardlopen heb ik nul aanleg voor, maar ik herken wel afspraak = afspraak en zo sport ik al jaren… heb het nooit leuk gevonden, niet vooraf en niet achteraf, maar met een zittend beroep moet ik wel. En nu al meer dan een jaar thuis aan het werk, dus ook geen forenzenfietstochtjes meer 🙁

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

By using this form you agree with the storage and handling of your data by this website.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.