Over de heuvels in mijn hoofd

De lucht is strak blauw. Helderder kan bijna niet. Ik ruik de geur van de zon, voel het grind onder mijn voeten en adem de laatste restjes van de zomer in. Achter me zijn de kippen. Voor me liggen de heuvels. Ik ben er bang voor, een beetje dan. Gisteren hebben we de route verkend en heb ik minstens tien keer gezegd dat ik echt wel mag wandelen als het niet meer gaat. Ik zeg dat vooral om mezelf gerust te stellen.

Als het niet meer gaat. Daar ben ik vooral mee bezig. Mijn uitgangspunt is dat het me niet gaat lukken, namelijk. Dat is een nogal hardnekkige gedachte waar ik in roerige tijden niet aan kan ontsnappen. Als het niet meer gaat, mag ik wandelen. Nu weet ik het wel. Ik adem nog een flinke teug Zuid-Limburgse lucht in en zet mijn eerste voet op het asfalt.

Daar gaan we. Het poortje door. God, het is nog heuvelachtiger dan ik me kon voorstellen. Ik wil tegelijkertijd wel en niet kijken naar het mooie uitzicht voor me en keer resoluut linksaf terwijl ik mijn blik op oneindig probeer te zetten. In mijn oren klinkt iets uit de afspeellijst fun run, maar tot nu toe is er nog niets plezierigs aan. Ik heb het nu al warm, ik weet nu al zeker dat dit me niet gaat lukken en ik ben nog niet eens echt begonnen.

De eerste kilometer is ellendig. Altijd. Mijn lichaam snapt niet wat ik aan het doen ben, lijkt het wel. Ik voel allerlei kleine pijntjes: mijn enkel, mijn rug, mijn hoofd. Ik denk aan hoe fijn het bed lag en hoe lief Jorn daar nog lag te slapen en corrigeer mezelf meteen. Nee, daar moet ik niet aan denken. Dat helpt niet. Denk aan hoe fijn je je voelt als dit voorbij is. Concentreer je daar op.

Kilometer twee. We rennen nog. Ik heb inmiddels een heuvel achter de rug en ja, die was zwaar. Maar ik begin er ook een beetje plezier in te krijgen. Ik begin zelfs een beetje – een heel klein beetje – te geloven dat ik deze heuvels wel kan bedwingen en dat het me zowaar gaat lukken om er tegenop te rennen. Ik bedoel, ik heb er net eentje gehad, hoe erg kan het worden?

Zo erg dus. Kilometer drie betekent een heuvel die zo steil is dat ik er zelfs lopend nog sneller over zou doen. Je kan dit niet, zeg ik tegen mezelf. Dit is te zwaar voor je, je kan beter wandelen. Als het niet meer gaat, mag je gewoon gaan wandelen. Daar is niets mis mee. Zelfs Jorn zei het nog, dat mag gewoon. Maar iets in mij besluit dat het tijd is om door te zetten. Dus ik ren, ontzettend langzaam, de heuvel op. Het zweet gutst over mijn voorhoofd, de zon brandt in mijn zwarte sportkleding en als ik helemaal bovenaan ben, gaat mijn telefoon.

Hijgend neem ik op. Het is de bedrijfsarts. ‘Ik ben aan het hardlopen,’ zeg ik. Ik wil het liefst door blijven gaan met rennen, maar kan geen fatsoenlijk gesprek voeren terwijl ik dat doe. Aarzelend besluit ik dus om te gaan wandelen en haar te woord te staan. Het is ons laatste gesprek. Dat was ik vergeten. Ik hoef haar niet meer te zien, er staan me nu andere dingen te wachten die toevallig genoeg samenvallen in deze vakantie.

Ik moet nog zes minuten rennen. Laat ik er eens van proberen te genieten. Ik luister naar de muziek – of eigenlijk hoor ik die voor het eerst – en kijk om me heen. Alles is groen, groener dan ik tot nu toe heb gezien. Ik adem de nazomerlucht in. Ik ren een beetje de heuvel af, dus het gaat soepel. De muziek past ineens perfect bij het ritme van mijn pas, ik krijg het gevoel dat dit de bedoeling is. Dat ik hier, op deze maandagochtend tijdens mijn vakantie, aan het hardlopen ben in de heuvels.

Dat ik weer ontdek dat ik meer kan dan ik altijd maar denk en het tijd is dat ik daar anders over ga denken. Dat ergens tegenop zien zonde is van je energie, maar dat het soms gewoon ontstaat en je er niets aan kan doen. Dat je heel veel mist als je niet af en toe om je heen kijkt, letterlijk en figuurlijk. Dat gewoon gaan, hoe simpel ook, nog steeds het beste werkt. En dat je altijd weer opnieuw mag beginnen.

Geen reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.