Iemand die ik heb gekend

De eerste keer dat we elkaar zagen stond je boven aan de trap. ‘Loop maar door,’ riep je naar beneden. Het was donker, ik kon niet zien hoe je er uit zag, wat je droeg. Of je vrolijk keek of droevig, of je zenuwachtig was of ontspannen. ‘Oké,’ riep ik terug terwijl ik voorzichtig de steile trap op liep. Ik probeerde me niet te veel vast te houden aan de leuning, zette mijn voeten schuin. Mijn tas voelde zwaar en groot – mijn computer, mijn schrijfblok, een flesje water en veel te veel verdwaalde papieren.

Je huis was donker. Eigenlijk was het niet eens een huis te noemen. Het was een zolder. Zwart door de kachel die al twintig jaar kapot was. ‘Er komt hier eigenlijk nooit iemand,’ zei je met een glimlach op je lippen en verdriet in je ogen. Je vertelde over je leven. Of in ieder geval de delen die je wilde vertellen. Over hoe je aan dat rare accent kwam, over hoe je ouders waren. Welk werk je deed en waarom je daar altijd weg ging, waarom je eigenlijk overal weer weg ging. Hoe je ooit besloten had om in de stad te wonen, want daar zou het leven anders zijn. En nu was je al vijfentwintig jaar hier: opgesloten in een ruimte die te donker was, die te eenzaam was. In de steek gelaten door alles wat de stad je had kunnen brengen. Ineens was het twee uur later. Ik mocht terugkomen, besloot je.

Een week later zagen we elkaar weer. Iets eerder op de dag. In het daglicht was je blik nog treuriger dan daarvoor. In het daglicht was je huis nog donkerder dan daarvoor. Stapels boeken, verkleurd door de rook, naast je bed. Eén klein lampje. Een houten bank, ooit ergens gevonden, en oud speelgoed dat je verzameld had toen je nog dacht dat het weer goed zou komen. Een lege wijnfles. Vlekken op de grond en op de muur. Je was boos op de wereld, zei je. Boos op mensen die zeiden dat het niet goed met je ging, boos op artsen die zeiden dat je beter voor jezelf zou moeten zorgen. ‘Die mensen weten niets van mij,’ zei je dan. En de stilte daarna zei alles. We spraken over wat je nog zou willen. Verhuizen. Naar een huis dat nieuwer was, met een verwarming die het wél deed. Met een lift en met een vloer en met ramen die open konden. Naar een andere stad – iets kleiner, iets rustiger.

We zochten het samen uit – je wachtwoorden, opgeschreven in een boekje door de enige vriendin die je had. Sarah heette ze, uit het oosten van het land. Jullie gingen samen op vakantie toen er nog geld was. Of toen jij nog dacht dat je het uit mocht geven aan iets voor jezelf. We zagen oude, romantische huisjes aan de rand van een sfeervolle binnenstad en fantaseerden over hoe je leven daar opnieuw zou kunnen beginnen. ‘Moet je voorstellen,’ zei je dan, ‘dan ben je 72 en leef je gewoon nog een keer.’ Maar op andere dagen zag je geen toekomst. Dan dacht je aan wat de artsen zeiden over je hart, over hoe je voor jezelf zorgde en wist je dat het niet meer goed zou komen. De brief van het ziekenhuis lag in het middelste laatje van je bureau, verstopt onder een stapel papieren uit de jaren zestig.

We bleven kijken naar huizen. Iedere week zagen we elkaar – steeds vaker bij mij dan bij jou. Je had een roze rugzak bij je, knalroze, gevuld met boeken. Iedere dag liep je heen en weer naar de bibliotheek, op zoek naar nieuwe informatie. Over reizen die je nog zou kunnen maken, over gerechten die je nog zou kunnen proeven. Op sommige dagen was je te zenuwachtig om te gaan. Dan bleef je in je donkere huis, verlamd door angst. Je was bang om op een dag gewoon neer te vallen, vertelde je me een keer. ‘Pats boem, dat het dan klaar is.’ Op sommige dagen voelde je je levendiger dan ooit. In je ogen een ondeugende blik, je maakte grapjes over hoe leuk we elkaar hadden kunnen vinden als jij veertig jaar jonger was geweest. Of ik veertig jaar ouder. We lachten om Przewalskipaarden die je vond in een boek, praatten over muziek en dat jij Bob Dylan maar een aansteller vond en Leonard Cohen te depressief voor woorden en ik je slechte smaak bespotte. Ik begon altijd over die brief van het ziekenhuis in dat middelste laatje. Met de uitnodiging voor het onderzoek. Dat we Sarah konden bellen om te vragen of ze met je mee wilde gaan naar die afspraak. Maar telkens weer omzeilde je het onderwerp – begon je over je kat, over auto’s, over muziek, over treinreizen. Je noemde Zutphen standaard Zutpen, wist niet hoe je het allemaal zou moeten regelen met een verhuizing en was verdrietig omdat je al zolang niets van Sarah had gehoord. Een paar weken later vertelde ik je dat ik weg zou gaan. Ik zag dat je ogen een beetje vochtig werden. ‘Ik had gehoopt dat het ons al was gelukt,’ zei je, ‘dat nieuwe huis en dat nieuwe leven.’ Ik kon niet anders dan dat beamen. Ik had ook gehoopt dat het al was gelukt. Je wilde eigenlijk niet met iemand anders gaan zoeken en dromen, zei je eerst, maar uiteindelijk mocht ik je haar telefoonnummer geven en beloofde je me haar te bellen.

Ik dacht een paar keer dat ik je zag lopen, midden in de wijk, op de route van je huis naar de bibliotheek. Je roze tas op je rug, je leren jas aan. Een klein beetje op de wereld en vooral ook helemaal niet. Je deed me altijd denken aan Ramses Shaffy. Jij was ook altijd alleen, wat je ook deed en met wie je ook was.

Maanden gingen voorbij. Roerige maanden, voor mij. Ik hoorde soms nog, via via, hoe het met je ging. Je had een huis gekregen, een huis waar wij samen op hadden gereageerd, zelfs. Maar je wist niet hoe je het moest regelen en geloofde niet dat het zou lukken, dus het huis ging voorbij en de tijd langzaam ook. Een paar maanden later sprak ik degene met wie je verder was gaan zoeken. Ik vroeg haar hoe het met je ging en of je al verhuisd was. ‘Heb je het niet gehoord?’, vroeg ze. ‘Hij is overleden, in zijn slaap. Alleen. Er was niemand om de uitvaart te regelen, dus dat heeft de gemeente gedaan. Er was niemand om afscheid te nemen, er was niemand die hem nog kende in de laatste jaren van zijn leven. Er was niemand om over hem te vertellen.’

Dus nu doe ik dat.

9 Reacties
  • Marije
    Geplaatst op 16:23h, 13 februari Beantwoorden

    Ben er helemaal stil van. Wat mooi opgetekend!

  • Cindy
    Geplaatst op 18:10h, 13 februari Beantwoorden

    <3

  • Florine
    Geplaatst op 20:21h, 13 februari Beantwoorden

    Prachtig ❤️

  • rianne
    Geplaatst op 09:21h, 14 februari Beantwoorden

    Wat een mooi eerbetoon aan degene die jij ooit hebt gekend.

  • Rachel Kromdijk
    Geplaatst op 22:41h, 14 februari Beantwoorden

    Wat super mooi geschreven..

  • Sanne
    Geplaatst op 09:23h, 16 februari Beantwoorden

    Wat een triest, maar ontzettend mooi geschreven verhaal.

  • Marlous
    Geplaatst op 12:33h, 18 februari Beantwoorden

    Wat een mooi eerbetoon

  • Irene
    Geplaatst op 13:19h, 19 februari Beantwoorden

    Och wat mooi en verdrietig Anne. Ik moet er van huilen.

  • Malu
    Geplaatst op 19:23h, 24 februari Beantwoorden

    wauw dit komt wel even binnen. Tranen in mijn ogen. Wat een mooi eerbetoon.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.