READING

Dat grote grijze schuldgevoel

Dat grote grijze schuldgevoel

Het lijkt soms wel een rugzak: ik weet niet hoe het er uit ziet, ik weet niet welke kleur het heeft, maar ik draag het mee op mijn rug. Soms wordt het te zwaar en neem ik het even in mijn hand, soms laat ik het rusten op mijn schouders en heel, maar dan ook heel af en toe, leg ik het even ergens neer om bij te komen en weer verder te gaan. Het zal vast donker zijn. Grijs, of zwart. Als een soort rots misschien. Niet perfect rond, maar met deuken en gaatjes en stukken die ruw aanvoelen als je er over heen wrijft. Het verandert nog wel eens van vorm – dan weer kleiner, dan weer groter – en groeit soms uit tot buitenproportionele maten. Niet meer te dragen, eigenlijk.

Het gebeurt niet vaak dat ik het uit handen geef. Ik vertel er niet graag over. Het is niet iets om trots op te zijn: het is iets om te dragen. In de afgelopen jaren heb ik er touwtjes aan gemaakt, waarmee ik het soms om mijn schouders kan binden. Soms zijn ze wat steviger en breder en heb ik écht nagedacht over de constructie, soms zijn het gewoon een paar draadjes die bij het minste of geringste loslaten. Dan valt het allemaal op de grond, moet ik stilstaan en het oprapen en met me mee dragen zonder dat ik kan kijken waar ik loop. Dan beperkt het mijn zicht, meer dan ik zou willen. Dan komt er, zo heb ik inmiddels geleerd, vanzelf weer een moment waarop ik het naast me neer kan leggen, de tijd kan nemen om weer wat touw te verzamelen en het op mijn rug te nemen.

Soms, als het wat kleiner is geworden of, bij hoge uitzondering, bijna helemaal verdwenen is, vergeet ik wel eens dat het er is. Dan wordt het licht, merk ik dat ik weer wat rechterop kan lopen, kijk ik wat vaker om me heen. Zie ik mijzelf in de spiegel zonder zo’n grote, zware steen achter op mijn rug gebonden of liggend op mijn handen en zie ik dat het goed is. Dan kan ik me bijna niet voorstellen hoe zwaar het kan zijn, hoeveel ruimte het in kan nemen. Soms, als het zo groot is dat ik het bijna niet meer kan dragen, wil ik me er achter verstoppen. Soms, als het zo groot is dat ik mezelf niet meer kan zien, doe ik er nog een paar stenen bij. Ik weet niet waarom. Misschien om iets aan mezelf te bewijzen? Zie je, ik kan het wel, ik kan het allemaal goedmaken. Ik kan het wel dragen, het maakt niet uit, ik doe het wel. Ik loop wel door, maak je geen zorgen.

Het is niet alleen van mij. Het is een verzameling van vierendertig jaar. Kleine dingen soms, grote dingen vaak. Soms is het van de hele wereld, soms alleen van de mensen om mij heen, heel soms alleen van mij en nog minder vaak is het er helemaal niet. Soms is het gevuld met andere dingen: met woede, met verdriet, met schaamte of met walging. Soms is het uit liefde, maar viel het een stuk zwaarder, soms is het niet van mij, maar wist ik dat niet en nam ik het op me. Te vaak dacht ik dat het aan mij was om het op te lossen, te vaak dacht ik dat het mijn verantwoordelijkheid was.

Ik wil ze wel eens doorknippen, die touwtjes. Of achterlaten, ergens op de hei of in het bos. Begraven en vervolgens nooit meer naar omkijken. Het is niet meer nodig, het is niet van mij. Dat is het (meestal) nooit geweest. Maar het lukt me niet: vaker wel dan niet ontdek ik toch weer een klein steentje in mijn hand, merk ik dat het gewicht op mijn rug iets zwaarder is geworden of dat er wat meer spanning op de touwtjes begint te komen. En, vaker wel dan niet, denk ik dan meteen dat het dan ook maar aan mij is om te dragen, want er is zoveel om goed te maken. Er is altijd ruimte om het beter te doen, hoe dan ook.

Misschien is het tijd om er eens anders naar te kijken. Terug te geven wat van een ander is, al is het in kleine, ruwe stukjes. Soms een groot stuk, ook. Het hoeft niet weggestopt te worden, ik hoef er niet rigoureus afstand van te doen: misschien draag ik altijd wel een beetje met me mee, maar laat ik dan ieder geval zorgen dat de bandjes stevig zijn en dat het niet te zwaar wordt. Dat ik het af en toe even ergens of bij iemand neer kan leggen, dat ik er met liefde naar kan kijken zodat het wat kleiner wordt, dat ik met liefde naar mezelf kan kijken zodat ik niet altijd meer alles hoef te dragen. Dan wordt het, vanzelf, steeds minder. Dan kan het weer even verdwijnen, dan kan ik weer ineens bedenken dat alles zoveel lichter voelt en trots zijn. Er is niets te bewijzen, er is niets te dragen, ik hoef niets op te lossen: zeker niet wat niet van mij is en nooit is geweest.


  1. Audrey

    27 oktober

    Zo mooi weer hoe je dit verwoordt <3

  2. Luus

    27 oktober

    Ik weet niet zo goed wat ik hier op moet commenten, maar wilde wel even laten weten dat je het heel mooi omschreven hebt weer!

  3. Jorn

    27 oktober

    Ik zal er altijd voor je zijn om te helpen de last te verlichten…

  4. Prachtig gezegd <3

  5. Zo, zo mooi geschreven Anne… Ik stuur je veel moed, sterkte en liefde ❤️ Je verdient het!

  6. Zo mooi verwoord, heel veel knuffels voor jou ❤️

  7. Irene

    29 oktober

    Ik sluit me aan bij wat iedereen zegt ♡

  8. Saskia

    3 november

    Wat mooi geschreven dit. het raakt <3

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

By using this form you agree with the storage and handling of your data by this website.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.