Ik rende tien kilometer

23/03/2017

Ik stond in het startvak en luisterde naar Lucky Fonz die zong over een robot en dacht alleen maar dat het vast wel goed zou komen. Ook al had ik de weken daarvoor minder kunnen rennen dan ik wilde. Ook al was ik in de meeste nachten daarvoor meer wakker geweest dan ik had geslapen. Ook al dacht ik nog steeds dat iedereen om mij heen gemaakt was om te rennen en ik helaas niet.  Maar we waren in de stad die ik tien jaar lang mijn thuis had mogen noemen en we zouden rennen over de brug waar ik al eerder had gerend en mijn smoesjes om het niet te doen waren op. Dus ik moest wel. Natuurlijk zag ik een paar mensen die ik een beetje kende, van vroeger. We praatten en ze vroegen naar welke tijd ik wilde lopen en ik zei alleen maar dat ik onderweg niet dood wilde gaan, en dat was ook écht zo, want er lijkt me weinig zo treurig als tijdens een hardloopwedstrijd dood neervallen op het asfalt.

Tijdens de eerste kilometer vond ik deze tien kilometer mijn beste idee ooit. Nijmegen leek anders, veel verder weg, en om me heen ging alles en iedereen maar vooruit en het voelde heel eventjes alsof ik een paar meter boven in de lucht zweefde en kon kijken naar hoe alles zich zou ontvouwen. Ik sprak met mezelf af dat ik nooit meer zou denken dat ik iets niet kon. Daar kwam ik later op terug. De tweede kilometer bracht me dichtbij ons oude huis en ik dacht aan de keren dat we naar de Honigfabriek waren geweest en welke belangrijke momenten zich daar hadden afgespeeld en hoeveel herinneringen er eigenlijk in deze stad lagen en vergat dat ik aan het rennen was. Ik was alleen aan het voelen, voelen hoe het vroeger was en alle beelden speelden zich heel langzaam af in mijn hoofd terwijl mijn voeten me nog steeds over het asfalt tilden. We renden de brug op en ik keek naar rechts en links en weer terug en verzuchtte dat ik het uitzicht zo mooi vond en vroeg aan alles en iedereen om me heen of ze ook wel zagen hoe mooi het was. Het rook naar buiten en naar leven en naar water en naar de stad en ik stopte mijn muziek en was gewoon eventjes. ‘Fijn hè?,’ vroeg iemand naast me, en ik kon niet anders dan knikken.

Een hele tijd geleden zag ik een filmpje van een man die aan het rennen was en van alles in zijn leven overwonnen had en zijn achtergrond was wazig en hij was zo scherp en de kleuren waren blauw en een beetje grijs en er was droevige pianomuziek op de achtergrond en even voelde ik me zo. Bewust. Van het geluid en de natuur en alles en iedereen om me heen. Maar tegelijkertijd ook niet. Even ook alleen maar ikzelf en mijn lichaam en hoe dat alleen maar vooruit hoefde te gaan.

Na zes kilometer begon het af en toe een klein beetje pijn te doen. Mijn voeten deden vervelend en mijn benen werden zwaar en ik zag hoever we nog te gaan hadden. Naast me liep een vrouw op blote voeten en ik probeerde me voor te stellen hoe dat dan wel niet zou moeten voelen (dat kon ik niet) en vroeg haar hoeveel pijn dat deed op een schaal van een tot tien en ze zei acht. Natuurlijk zei ze acht. Die hele zesde kilometer dacht ik aan die vrouw en haar blote voeten en zag ik plaatjes van hoe dat er dan uit zou moeten zien na tien kilometer. Ik sprak met mezelf af dat ik nooit op blote voeten zou hoeven te gaan hardlopen. Tijdens de zevende kilometer dacht ik ‘ach, ik ben er al bijna’ en zag ik de contouren van mijn oude stad weer langzaam verscherpen en haalde ik zo hier en daar nog even iemand in die er écht wel atletischer uit zag dan ik (en dan krijg je extra punten voor je inhaalmanoeuvre, besloot ik in mijn hoofd).

En toen was daar de Waalbrug. Ik rende zo ongeveer in mijn eentje omhoog en op het moment dat ik boven was, voelde ik dat dit het was. Verder kon ik niet. Alles stopte. De wind hield me tegen en mijn hoofd hield me tegen en ik vroeg me af waarom ik ooit dacht dat dit een goed idee was en waarom ik ooit dacht dat ik dit zou kunnen en waarom ik toch altijd dingen moet proberen waarvan ik weet dat ze mislukken. Iedere stap voelde zwaarder en zwaarder en de wind zwol aan en maakte geluiden om me heen. Het leidde me af, ik vergat wat ik aan het doen was en waarom ik dit fijn vond en niet op een goede manier. ‘Kom op,’ fluisterde de vrouw met wie ik zes kilometer daarvoor nog het uitzicht had bewonderd. Ze rende een klein beetje voor me uit en ik dacht ‘achttien punten als je haar inhaalt, Anne’. Maar het lukte niet. Ik werd steeds trager en de muziek werd steeds somberder en de mensen werden steeds lelijker en Nijmegen was ineens niet meer die stad met de geheimen van mijn jeugd, maar gewoon saai en grijs en een stad zoals alle andere steden. We renden door een parkje – een stom parkje – en ik besloot om tien meter te gaan wandelen en werd er alleen nog maar verdrietiger van. De laatste paar honderd meter voelden als twintig kilometer en toen ik eindelijk over de finish kwam, wilde ik niets liever dan mezelf verstoppen in mijn veel te grote warme trui waarin ik me een zwerver voelde en net doen alsof die laatste twee kilometer niet waren gebeurd en het alleen maar fijn was. Maar dat lukte niet.

En nu? Nu zijn de mogelijkheden eindeloos. Nu kan ik iedere tien kilometer aangrijpen als wraak op mezelf, om te laten zien dat ik het heus wel beter en sneller kan en dat het heus niet zo’n pijn hoeft te doen. Nu kan ik altijd stoppen na acht kilometer of resoluut besluiten nooit meer verder te gaan dan dat. Nu kan ik zeggen dat hardlopen gewoon niet mijn sport is en ik het dus nooit meer hoef te doen. Nu kan ik zeggen dat ik gewoon niet zo van de lange afstanden ben en dan beter maar altijd vijf kilometer kan rennen. Nu kan ik doen alsof ik, als ik ren, alleen maar mensen hoef in te halen om de punten en het alleen maar een spelletje is en het allemaal niet zoveel uitmaakt.

Ik weet het dus nog niet zo goed.

Wat ik voor altijd wil onthouden (deel 3)

30/01/2017

Hoe ze ’s ochtends wakker wordt. Eerst een beetje gestommel, voorzichtig een luide ademhaling. De deur gaat open en ze zit met haar slaapzakje midden in het bed. In haar ene hand Haas (die eigenlijk een konijn is) en haar andere hand in de lucht, wijzend naar de deur of naar Haas of naar iets in de ruimte dat om de één of andere reden opvalt. Het speentje doet ze uit haar mond zodra ze me ziet en Haas krijgt een handkus voor ze die genadeloos terug in bed gooit. De dag begint. En Haas moet nog even slapen, omdat wij ooit gezegd hebben dat Haas dat nog moet.

Hoe ze knuffelt als ik haar aankleed. Met beide beentjes op de commode – die inmiddels niet meer zo heel rond zijn, maar ook nog niet zo heel erg lang – en hoe ze haar armen om me heen slaat. Het liefst nog even een extra beetje stof vastpakt om vervolgens haar gezichtje in mijn schouder te begraven. Hoe ze eigenlijk nooit meer wil liggen, maar alleen maar wil zitten en wil staan en alles in de wereld om haar heen wil vastpakken en begrijpen. Ze wijst naar Sam & Julia die op het plankje boven haar bed staan. Naar de olifant op de stoel. Naar de lamp, naar de bellenblaas in de vensterbank en weer naar de twee knuffeltjes aan de overkant. Ik zeg wat ik zie en doe net iets langer dan normaal over het aankleden omdat ik het liefst wil dat ze voor altijd zo blijft knuffelen.

Samen doen we de gordijnen open en zetten we zachtjes een muziekje aan. Haar schouders bewegen heen en weer. Ze lacht. Ze lacht altijd als ze muziek hoort. Ik maak koffie voor mijzelf en een boterham voor haar en ze wijst naar wat ze erop wil. Smeerkaas, of jam. Ze eet er twee of drie en danst ondertussen op het geluid dat het koffiezetapparaat maakt. Haar handje gaat de lucht in en zwaait heen en weer. Lekker, bedoelt ze. We doen zo rustig aan als we maar kunnen. Het is ochtend en er is nog een hele dag, zeg ik dan. Hoe ze Konijn (die wel echt een konijn is, overigens) pakt om te knuffelen en hoe ze achter de bal aan kruipt. Hoe ze eerst voorzichtig langs de bank op probeerde te lopen en inmiddels precies weet waar ze naartoe wil en hoe ze daar moet komen. Ik wil voor altijd onthouden hoe ze achter haar kleine rode piano kruipt. Het liefst op de kop en achterstevoren en minstens honderd keer kijken of wij het wel horen. Hoe ze schuift naar de grote piano en net met haar vingers bij de toetsen kan en hoe ze soms een beetje begint te heupwiegen op de muziek die ze zelf maakt.

Hoe ze slokjes neemt uit een glas en vervolgens altijd even uitademt en ‘aah’ doet, alleen maar omdat ze weet dat iedereen haar dan heel schattig vindt. Dat is ze dan overigens ook. Hoe ze kijkt als iets veranderd is. Of als iemand weggaat. Handjes in de lucht en een verbaasde blik. Hoe ze duidelijk maakt wat ze wil, met een krom vingertje. Hoe ze al een klein beetje begint te praten (en er soms zelf van lijkt te schrikken). Dit, zegt ze dan. Ik wil nooit meer vergeten hoe ze kusjes geeft: haar hoofd naar voren zonder te kijken waar ze naartoe gaat, haar mond een beetje open en dan maar gewoon hangen en hopen dat het goedkomt. Hoe ze speelt met pluisjes en kleine kruimeltjes en die tussen haar wijsvinger en duim houdt. En er dan minstens tien minuten mee kan spelen. Hoe ze slaapt: met haar billen in de lucht, boven of onder in het bedje maar nooit in het midden en nooit zoals we haar hebben neergelegd. Met Haas in haar armen en zijn oren in haar gezicht.

Haar twee tandjes onderin die ze soms bloot lacht en hoe er dan rimpeltjes boven in haar neus komen. Hoe ze nooit schaterlacht, maar wel vaak een beetje moet giechelen. Om haar eigen grapjes. Hoe groot ze soms kan lijken, maar hoe klein ze eigenlijk nog is. Dat ze eigenlijk niet zoveel wil knuffelen maar vooral wel samen wil spelen. Dat ze soms gewoon een beetje stoer doet, maar eigenlijk een schattig klein meisje is en dat er niet zoveel op deze wereld is dat fijner is dan haar neus in mijn schouder. Nou dat, dus.

Pst, dit schreef ik al eerder. De oude posts vind je hier (deel 1 en deel 2) en staan dus niet meer op privé. 

everybody’s waiting for springtime

27/01/2017

you’re crying but as long as it’s transparent and not red there’s no real reason to be sad

to the people who are smiling always happy always gay they do not know

that the edges of the mouth can move the other way

 

you’re freezing, the ice on which you nearly slipped outside is in your body in your mind getting warmer

you are dreaming, quite useless but it feels okay to you in a world that’s dreaming to

in a world in which you keep on searching for a thing sublime

when all you need is inside of you

everybody’s waiting for springtime, well winter can be cozy too

(liedje vind je hier)

Stoepjes niemandsland

21/01/2017

Ik had nooit gedacht dat ik ooit zou schrijven dat ik van de kou houd. En van sneeuw en gladheid en balanceren over stoepjes waar nog niemand heeft gelopen (mooie gedachte, trouwens) of waar nog niemand de moeite heeft genomen om het weg te scheppen of gewoon, stukjes niemandsland. Of stoepjes niemandsland. Maar de afgelopen dagen waren de ochtenden kouder dan ze lange tijd geweest zijn en was de weg gladder dan hij lange tijd geweest is en kon ik er meer van genieten dan ik lange tijd gedaan had.

Ik zocht ze juist op, die stoepjes niemandsland. Zeker als ik ging wandelen. Met warme, dikke wanten aan en rode gloeiende wangen naar buiten en kijken naar de zon die ondergaat en hoe alles even paars en oranje wordt. Of vanuit de trein, op zo’n moment dat net het volgende liedje afgespeeld wordt en het net iets minder verdrietig is dan alles daarvoor. Ik zeurde over hoe statisch mijn haar werd, of over hoe alles zoveel tijd kost omdat je honderd laagjes aan en uit moet trekken, maar eigenlijk werd ik er best een beetje gelukkig van.

Zoveel mogelijk naar buiten – althans, dat probeerde ik. Ik rende over fietspaden en wegen waarvan ik zeker wist dat ik er niet zou vallen, ademde alleen nog maar koude buitenlucht en had heel eventjes het gevoel dat dat gewoon de bedoeling was. Van alles. Ik kwam thuis en stond onder een warme douche, luisterde naar Simon & Garfunkel en deed net alsof het zondag was en er alle tijd van de wereld was. Ik liep door de stad aan het einde van een werkdag, kon niet zien waar ik op moest letten en vond dat het dan ook niet meer hoefde en had het vooruitzicht van zingen met veel mensen in een ruimte die altijd warm was. En misschien juist daarom kon ik er nog net iets meer van genieten, van zo’n eenzame wandeling die niet eens zo eenzaam voelt en waarbij je je afvraagt of het voorbij gaat aan alle treurigheid.

Soms voelt januari een beetje verdrietig. Zo’n maand waarin iedereen bedenkt dat het anders moet dan in tweeduizendzestien (en wat was er eigenlijk mis met dat jaar?) en dat ook gaat proberen en dan halverwege tot de conclusie komt dat er heus niet zoveel mis mee was. Soms voelt januari juist alsof er zoveel mogelijkheden zijn en er ruimte is en er een heel nieuw jaar is om te bedenken wat je wil en kan en hoe dat dan moet. Of om te bedenken dat juist alles moet blijven zoals het is en hoe je dat dan kunt blijven koesteren. Soms hoeft het niet vooruit of beter of mooier maar hoeft het alleen maar te blijven. En dat je dan nog steeds ziet dat het zo mooi is als het altijd al is geweest.