Ons huisje op wielen

11/08/2017

We noemden het ons huisje en vergaten tijdens de eerste kilometers dat je, als je rijdt, de sleutels echt uit de voordeur moet halen want anders krijg je lelijke krassen. Eenmaal veilig op onze eindbestemming, een half uur later, scheen de zon en was het warm en kon het niet méér voelen als vakantie dan het al deed. Het gevoel van blote voeten in zanderig gras. Een meisje van nog geen tachtig centimeter in een afwasteil. Zes boeken opgestapeld op een tafel, wachtend tot er tijd is om er eindelijk aan te beginnen. En dan ook nog het gevoel van eindeloos de tijd hebben. We koesterden de dutjes die om twaalf uur begonnen en ik was zo toe aan vakantie dat ik eigenlijk gewoon maar iedere dag meedeed. Maar je bent altijd toe aan vakantie als het bijna zover is, toch?

Het was warmer dan ik fijn vind, omdat ik altijd wel iets wil doen of onderzoeken en het vooruitzicht van een lege dag een beetje beklemmend voelt als je zo’n hoofd hebt als dat van mij. Maar nu was de warmte er en deed ik dus niet zoveel, behalve dan dat ik begon aan die stapel op de tafel en soms een beetje zwom en soms een beetje sliep en vooral veel speelde met dat ene kleine meisje. Nu ik haar niet meer de baby mag noemen, want dat is echt voorbij, weet ik geen betere naam dan klein meisje. Want dat is ze. Ze verzamelde stenen op het paadje, pakte mijn hand vast als we samen naar de receptie liepen en wilde ’s avonds vooral niet slapen want het was toch veel leuker om met z’n drieën wakker te zijn? Soms zo moe, wrijvend in haar ogen, alsof ze alle indrukken van die dag nog net iets beter aan moest duwen. Soms hoorde ze een geluidje, wist ze ineens weer dat wij er ook waren en zagen we haar hoofdje boven het bed uitkomen. ‘Mama?’. De vrouw en ik perfectioneerden het doen-alsof-we-slapen tot in de puntjes. Stil liggen, totdat ze denkt dat wij ook slapen en weer gewoon gaat liggen en haar ogen dicht doet.

De ochtenden begonnen vroeg, maar waren rustig en buiten en dan is alles goed. Ik hou ervan als alles een beetje vies is. Je voeten, je bed vol met zand, vlekken op je kleding. En dat je weet dat het niet heel schoon gaat worden en dat dat dan ook helemaal niet hoeft. Dat je je daar ineens niet meer druk om maakt, vooral. Ik rende een rondje om een vijver en mocht toen van mezelf ook een rondje wandelen omdat het zó mooi was en er zoveel te zien was en ik misschien ook wel een beetje moe was van het rennen. Ik rende door de vlindertuin, langs het huisje dat verscholen stond achter een paar bomen en ik bijna over het hoofd had gezien als ik niet was gaan wandelen. Ontmoette de eigenaar van het terrein die vertelde dat het zijn tuin was en hij het zo mooi vond dat hij het wilde delen met mensen – zoals ik – en hij vertelde me dat ik nog veel verder kon dan ik al was geweest. En dus rende ik langs de schapenwei en de waterlelies en kon ik me niet bedenken dat er een betere manier was om mijn dag te beginnen dat dit. Buiten. Luisteren naar wat ik wil en kijken naar wat ik zie. Toen ik weer terugkwam in ons huisje kon ik bijna niet ophouden met praten over hoe mooi het was.

We wilden nog meer natuur en reden verder. De vrouw vond het wel een beetje spannend, rijden met een caravan, en ik minstens honderd keer spannender. Ze vroeg of ik, als ik niet met haar was geweest, ooit zelf op zo’n vakantie zou gaan en we wisten allebei dat ik dat nooit zou durven. We kwamen op een plek midden in het bos en ik besloot dat ik, als ik niet zo bang zou zijn voor alles en iedereen, ook midden in het bos zou moeten wonen. Er waren alpaca’s en paarden en cavia’s en eekhoorns en konijnen en een klein meisje dat misschien wel op haar gelukkigst was. Het werd alleen nog maar warmer en we konden alleen nog maar minder doen en dat was eigenlijk alleen maar goed. ’s Avonds deden we samen de afwas (of ‘wassj’, zoals je dat zegt als je anderhalf bent) en dat was het hoogtepunt van de dag. Een eigen taakje en zitten op het aanrecht en helpen en liedjes zingen. Niets beter dan dat. Na de afwas mochten we springen op de trampoline en de cavia’s grassprietjes voeren en vooral heel veel wandelen. Stoppen bij iedere steen ( ‘wauw!’) en alle takjes (‘wauw!’) en alles dat glimt of gekleurd is of gewoon maar op je pad komt (‘wauw!’). Toen het zevenendertig graden werd, puften we en zuchtten we en mochten we ijs eten en besloten we dat het tijd was om weer verder te gaan.

We moesten vier uur rijden maar deden er minstens zeven over. Onderweg aten we frietjes, zongen we liedjes van Juf Roos en toen we eenmaal in Luxemburg waren, verbaasden we ons over hoe mooi het eruit zag en waarom we nog nooit eerder hier waren geweest. Het weer werd iets slechter, ons plekje was iets minder mooi, maar het was nog steeds vakantie en we hadden nog zoveel tijd. In de stad was het druk, maar we dronken gewoon veel koffie en aten veel te lekker. De dag erna wilden we naar buiten, vooral naar buiten, en kwamen we bij een meer dat zo mooi was dat ik het niet kon fotograferen en alleen maar kon kijken. We reden door heuvels en bossen die ik allemaal vast had willen leggen, die ik allemaal wilde onthouden omdat ik bang was dat ik zou vergeten. Maar je kunt niet iets vergeten dat altijd al van jou was. Dat er altijd al in zit. Je hoeft het niet te vergeten als je het niet hebt gedeeld, want sommige dingen moeten gewoon van jezelf zijn. In jouw hoofd en niet in dat van iemand anders. Dat heb ik geleerd. En dat is het fijne aan het vakantie – dat je de tijd kunt vergeten en de wereld kunt vergeten en soms zelfs het delen kunt vergeten en alleen maar hoeft te zijn.

VI

07/08/2017

Dit is de zesde keer dit jaar dat ik hier schrijf. Ik heb nog nooit zo weinig geschreven. In mijn hoofd hoorde ik deze zinnen al en wilde ik eraan toevoegen ‘sinds ik schrijf’, maar eigenlijk is er nooit een ‘sinds ik schrijf’ geweest. Ik doe het altijd al. In mijn hoofd zijn het soms melodieën, maar op papier zijn de zinnen te definitief. De woorden niet goed genoeg. Wat ik eigenlijk wil vertellen komt niet op papier en dus blijft het leeg. En ineens is het zomer en zijn er maanden verstreken en is er weinig geschreven. De zomer is nooit mijn lievelings geweest. Iedereen denkt dat alles mooier is in de zomer, dat we vrolijker zijn en bruiner zijn en de zon ervoor zorgt dat alles lichter lijkt. Maar ik kan niet wachten tot de herfst begint en alles weer grijs wordt en de treurige liedjes alleen nog maar treuriger zijn.

Aan het begin van dit jaar maakte ik plannen. Nu wil ik een plan om geen plannen meer te hoeven maken. Ik wil rondjes kunnen rennen omdat ik zin heb om dat te doen. En dus vind ik dat ik maar zin moet maken. Van mijn hoofd mag ik geen doelen meer stellen en dus maak ik ze stiekem, schrijf ik ze nergens op, maar bewaar ik alles in mijn hoofd. Doelen voor nu en over een maand en over een half jaar. En een plan voor als het niet lukt. Later als ik groot ben, kruip ik achter mijn computer en gaan mijn vingers vertellen wat in mijn hoofd zit, denk ik dan. Maar nu ben ik groot en werkt het zo niet. Nu heb ik een plek waar ik zou kunnen schrijven en doe ik het niet. Nu heb ik een hoofd vol verhalen en foto’s en films die allemaal een plekje ergens verdienen, maar doe ik net alsof ze er niet zijn. Want het is vol hier, in dit hoofd. Met doelen die ik geen doelen noem en plannen die ik geen plannen noem en zinnen die niet af zijn en woorden die niet zeggen wat ik denk. En met een hoofd dat zo vol is, blijft het hier dan maar leeg.

Later als ik groot ben werd in in mijn hoofd een doel. En nu is het er, of nu ben ik daar, en ben ik niet wie ik dacht dat ik zou zijn en kan ik niet wat ik dacht dat ik zou kunnen en word ik niet gelukkig waar ik dacht gelukkig van te worden. ‘Je moet leren wat liever voor jezelf te zijn,’ zei iemand laatst. En ik denk dat hij niet eens zei ‘moet’, maar in mijn hoofd werd het ineens iets dat ik moest en waar een plan voor moest komen. Tot ik me realiseerde dat ik geen plannen meer wilde maken en dus werd het iets waar vooral géén plan voor moest komen en werd dat wat ik deed. En gebeurde er niets. Veranderde er niets. En kon ik alleen maar denken dat als dit is wat ik doe als ik later groot ben, ik nooit groot ga worden. Later als ik groot ben, ga ik wat liever voor mezelf worden. Heus.

Daar

15/05/2017

Waar ooit de supermarkt was en nu de snackbar is waar hij met haar op maandag altijd een patatje oorlog eet. Roze letters, grijze achtergrond. Waar niets veranderd lijkt te zijn, behalve als je heel goed kijkt. Waar de tijd stil lijkt te staan en toch ook te snel kan gaan en dat we over twintig jaar terugdenken aan toen we daar waren. En hoe we daar waren. Waar alles mooier is als de zon schijnt en de mensen iets minder grimmig kijken als er licht is. Of minder grimmig lijken, misschien. Waar altijd iets gesloopt wordt en waar altijd weer iets nieuws komt, want er moet altijd iets zijn dat niet is wat het was. Waar minstens honderdduizend van mijn stappen liggen, op de stoep, in het park, over de straat en weer terug. Verhalen over ramen die ooit verkleurden en deuren met geheimen en hoe we alles willen weten en alles willen vinden. Waar we nooit weten wanneer je stopt met zoeken als je precies datgene vond wat je nooit wilde vinden – maar eigenlijk ook wel.

Waar zij altijd staat met een krant in haar hand – maar nu dus aan de overkant – en de kapper nog steeds zoekt en zoekt naar zijn vrouw. Zijn verloren vrouw en niemand wil hem helpen, en hij blijft alleen maar knippen en hopen dat ze terugkomt. Maar wanneer stop je nou met zoeken? En dan kom ik ze weer tegen, hand in hand door de straat, samen uit eten op een maandagavond bij roze letters tegen een grijze achtergrond. En niets is treuriger en niets is mooier als het altijd zo kan zijn en dat het dan genoeg is. Maar wanneer ga je dan weer zoeken? Als de gevels zijn veranderd of als het allemaal gesloopt is en er iets nieuws is dat anders is, maar ook precies hetzelfde? Als er een vrachtwagen stopt wanneer je de foto maakt? Wanneer je vast wil leggen wat is veranderd, is het dan wel anders geworden? Of is het altijd nog wat het was omdat je niet kunt laten zien dat het anders is?

Waar de dagen soms zo lang duren en de avonden altijd te kort. Waar huizen zijn met mensen die dromen over alles waar ze geen grip op hebben. Waar huizen zijn met mensen die zijn opgehouden met dromen. Waar huizen zijn met mensen die nooit leerden om te dromen. Het geluid van spelende kinderen, het geluid van een te harde radio en de oude vrouw die altijd maar uit het raam kijkt, wachtend op een nieuwe wereld. Waar de kapper nog altijd uit het raam kijkt, wachtend op zijn vrouw. Waar zij op maandagavond naar elkaar kijken, wachtend op geluk. Waar ik nog altijd wacht. Nog altijd zoek. En als de foto’s vaag zijn, gebeurde het dan niet echt? En als de foto’s niet ontwikkeld zijn, mochten ze er dan niet zijn? Worden ze vergeten, weet niemand hoe ze waren? En als ze er niet zijn, is het dan niet veranderd? Is het nog zoals het was, ergens in de lente op een zaterdag in de zon? Blijft het dan altijd lente? Of kunnen we het voor altijd lente laten zijn omdat de foto’s zo vaag zijn, de mensen zo vrolijk, de vrouw met de krant in haar handen zo lief lacht en er bloesem is? En ook al is het er niet, ook al zien we het niet, kunnen we het vasthouden of anders doen alsof?

Ik leef nog, hoor

20/04/2017

Ik zou wel willen schrijven – of in ieder geval schrijven en dat ik het dan terug kan lezen en dat het dan mooi klinkt in mijn hoofd, maar op de een of andere manier vindt mijn hoofd niet meer zoveel mooi tegenwoordig.

Of misschien niet zoveel meer van wat ik zelf doe.

De afgelopen weken staarde ik minstens twintig keer naar een leeg scherm. Ik begon te schrijven en haalde alles weer weg. Ik maakte plannen om te veranderen of om iets anders te doen of om iets nieuws te leren of om iets ouds af te leren, maar deed uiteindelijk veel te weinig. En zat maar een beetje stil. Er is weinig om over te schrijven als je dat doet, eigenlijk. Ondertussen deed ik ook wel veel andere dingen. Ik zag Spinvis twee keer en een van die keren was zo’n avond waarop je vergeet dat er ook nog een wereld is. En oja, ik zat ook nog in een grote concertzaal en keek naar een hele grote man die speelde op een piano die ineens heel klein leek. Ik kon alleen maar luisteren en me afvragen hoe het kon dat iemand anders nu speelde wat ik eigenlijk voelde. Met mijn moeder was ik een paar dagen in Engeland. Ik kocht er een jurkje met dinosaurussen erop en kan me bijna niet meer voorstellen hoe ik ooit zonder heb gekund. Met de vrouw was ik een paar dagen in Boedapest en daar was het lente en scheen de zon eindelijk weer. De wekker leek steeds eerder te gaan, ik dronk koffie in plaats van cappuccino’s en af en toe misschien iets teveel alcohol. In mijn hoofd gebeurde vanalles en tegelijkertijd ook niets. Ik at teveel sushi, maar de weegschaal vond dat het allemaal wel meeviel en ik was minstens tien keer boos op mijzelf omdat ik had moeten sporten, maar het niet deed. Ik wilde weer beginnen met mediteren maar kwam niet verder dan het installeren van de app op mijn telefoon. Ik zei dingen die ik misschien niet had moeten zeggen, deed dingen die ik misschien niet had moeten doen en van de dingen die ik juist wel wilde, deed ik helemaal niets.

Ik luisterde heel veel muziek en kon niet meer ophouden met sommige liedjes luisteren. Voor alles kwam een keuze: zwart of wit en geen grijs meer. Fijn of niet fijn. Mooi of niet mooi. Zo was er een fijne dag aan zee die niet fijner kon omdat alles leek te zijn zoals het had moeten zijn. De zon en de vrouw en de baby en rust en ruimte en de geur van de zee. En de maandag daarna was killer en grijzer dan de maandagen normaal zijn. In mijn hoofd probeerde ik het mooie vast te houden, op te slaan. Te bewaren voor later gebruik, als het nodig zou zijn. Maar uiteindelijk verdwijnt het, vervaagt het. En alles wat voelde zoals het had moeten zijn, werd alleen nog maar een vaag gevoel van eerder en was nooit de bedoeling geweest. Ik wil dat het echt weer lente wordt. Ik wil zo’n voorzichtig zonnetje en dan uiteindelijk een beetje verbranden en blote benen en het gevoel dat alles verandert en lichter en gemakkelijker wordt. Ik wil rennen in de avond en dat het al een beetje ruikt naar zomer. Zonder jas naar buiten. Zonnebril vergeten en hoofdpijn omdat je met je ogen dichtgeknepen naar buiten gaat. Zachte folkmuziek op de achtergrond terwijl je buiten eet. En dat alles weer iets mooier is. Gewoon. Een beetje maar.